donderdag 17 september 2009

Afscheid van Bolivia

Tja dan is het zover, mijn laatste dag in Bolivia is aangebroken, zaterdag hoop ik weer heelhuids in Nederland aan te komen. De afgelopen dagen hard bezig geweest om het werk af te krijgen.En heeft dat nu wat opgebracht voor de arbeidsomstandigheden van de mijnwerkers in Colquechaca? Dat is moeilijk te zeggen, ze weten dat in de mijnen werken gezondheidsrisico’s opleveren, maar bereidheid tot investeren voor betere omstandigheden lijkt er niet te zijn. Of eigenlijk, ze willen wel, als een buitenstaander maar met een pot geld komt. En dan te bedenken dat enkele mijnwerkers in Colquechaca rijker zijn dan ik ooit zal worden. Dat is namelijk de werkelijkheid. Binnen de mijncoöperatie werken de mijnwerkers eigenlijk als zelfstandigen; wie geluk heeft verdient veel geld, wie pech heeft leeft rondom de armoedegrens (de meesten). Er wordt dus niet geïnvesteerd in de coöperatie. In de eigenlijke zin des woords mag je het dus eigenlijk geen coöperatie noemen. Zo’n mijncoöperatie als Colquechaca is een voorbeeld van vele honderden andere mijncoöperaties in Bolivia. Op een paar na, werken de meeste dus volgens het principe geld verdienen en wegwezen.
Blijft natuurlijk de schrijnende situatie van de slechte arbeidsomstandigheden. Net als in Nederland bestaat in Bolivia een arbeidsomstandighedenwet. Daar is niets mis mee, met dat verschil dat praktisch niemand hem uitvoert of opvolgt. Bang voor inspectie hoef je niet te zijn, want er lopen in Bolivia pakweg twintig arbeidsinspecteurs rond, voor een deel corrupt. En dan is er ook nog een Nationaal Instituut voor Gezondheid en Werk en een Nationaal Verzekeringsagentschap die arbeiders keuren. Geen van deze instituten werken naar behoren.
Om de arbeidsomstandigheden te kunnen verbeteren en die verbetering in stand te kunnen houden moeten eigenlijk alle betrokken verantwoordelijken meewerken, en daar ontbreekt het dus aan. Dit is trouwens geen nieuwigheid. Ontwikkelingslanden staan erom bekend dat ze op zich goede wetten en rapporten hebben; telkens is er echter het probleem van de uitvoer. Daar is niet zomaar een duidelijke reden voor aan te wijzen, maar macht, onderdrukking en corruptie spelen daar wel een rol bij.
Ook ik heb aan het stapeltje reeds bestaande rapporten en adviezen over de slechte werkomstandigheden van de mijnwerkers er een paar toegevoegd: een rapport voor beleidsmakers en verantwoordelijken voor de veiligheid en de arbeidshygiëne, een ander met praktische aanbevelingen tot invoering van een aantal (goedkope) maatregelen om de blootstelling in de mijnen van Colquechaca, en tenslotte, een boekwerkje met praktische informatie voor de uitvoerders in de arbeidshygiëne en veiligheid met tips hoe een goede gezondheid te behouden. Ze zijn alle drie zo goed als af, wat rest is een revisie in correct Spaans. DIMA heeft beloofd dat boekwerkje uit te gaan delen in alle mijncentra en dat het boekje zal dienen als basis voor het produceren van enkele informatiefoldertjes voor de mijnwerkers. Ik ben benieuwd, ik blijf in ieder geval in contact met ze om zeker te zijn dat die beloften worden nagekomen.

zaterdag 12 september 2009

!Qué aproveche!

Als kookliefhebster ben ik altijd geïnteresseerd in de eet- en drinkgewoonten van andere mensen. En natuurlijk in producten die wij in Nederland niet of nauwelijks kennen. In de eerste plaats, bijna alles wat je in Nederland in de supermarkten en markten kunt kopen is ook wel ergens te koop in La Paz, zoals pindakaas, chocoladepasta, hagelslag, bruin bruid en verder alle soorten groenten en fruit. Er zijn zelfs kaasschaven. Op het platteland is het aanbod echter veel beperkter. De restaurants weerspiegelen het aanbod: Italiaans, Chinees of Frans eten in La Paz is geen enkel probleem, maar in het afgelegen platteland geldt vooral ‘wat de pot schaft’.
Eén van de weinige dingen die ik tot nu toe niet heb gevonden is cafeïnevrije koffie voor de koffiemachine (en dat voor een koffieproducerend land), en de vele romige toetjes die je in onze supermarkten aantreft. Ook het aanbod aan soorten kaas is beperkt. De kaas die verkocht wordt onder de namen als Gouda, Edammer en Mozzarella kaas lijken in de verste verte niet op de originele kaas en hebben een vlakke smaak.
In La Paz en op de hoogvlakte heb ik natuurlijk ook veel eetgewoonten en –producten gezien die wij niet kennen. Een overzicht van wat ik zoal tegenkwam:

Dulces (zoetwaren)
Heel verleidelijk zijn de grote kleurrijke versierde taarten, van binnen vaak niet meer dan cake met laagjes crème, maar van buiten een lust voor het oog. Op brood wordt vaak dulce de leche gesmeerd. Het gaat om zoete gekarameliseerde melk, ingedikt tot een smeerbare lichtbruine pasta. Een ander product is chancaca, een melasse van rietsuiker en pinda’s, dat qua substantie iets weg heeft van de ‘stroop’ in de stroopwafel. Men brokkelt een stukje van het blok en kauwt er vervolgens op of verwerkt het in zoete gerechten.
Verder lijken de Bolivianen gek te zijn op gelatinetoetjes. In allerlei kleuren en smaken worden ze bereid; op straat met een toefje opgeklopt eiwit met suiker, of in kant-en-klaar zakjes in de supermarkt. Ik ben persoonlijk er niet zo weg van, maar het is soms wel erg kleurrijk om te zien.
Snacks
Ook de Boliviaan snackt net zoals wij. In La Paz zijn dat in de ochtend de salteñas, met vlees gevulde hartige pasteitjes, waar mensen voor in de rij staan. Die moet je dan voorzichtig vanaf het topje opeten, omdat anders het vettige kooksap in de pasteitjes op je kleding drupt. Snacks van een heel andere orde zijn gefrituurde (tuin)bonen en popcornachtige snacks van allerlei granen en maïs en in allerlei soorten en maten.
Productos de leche (melkproducten)
In de winkels en op de markten tref je hele schappen met blikken melkpoeder en blikken gezoete en ongezoete gecondenseerde melk aan. Een bekend merk gecondenseerde melk is Belle Holandesa, ja inderdaad van een Nederlands bedrijf. Sommige mensen smeren de gezoete gecondenseerde melk direct op hun brood. Ik gebruik de ongezoete versie om warme chocolademelk te maken. De chocolade komt van de fabriek Harasic in Oruro, die alleen chocoladeblokken maakt voor verdere verwerking, zoals chocolademelk. Daarvoor gebruiken ze cacaobonen uit het eigen land. Eerlijk gezegd, het is erg lekker en er gaan ook zeker een paar blokken mee de koffer in naar Nederland.
Een ander typisch melkproduct is leche con avena. Een soort drinkbare vla van melk, suiker en havermeel (avena = haver), dat op smaak is gemaakt met kaneel. Erg lekker.
Behalve buitenlandse namaakkaas worden in Bolivia ook eigen kazen geproduceerd, veelal ronde kaasjes, wit en erg zout van smaak en die nauwelijks smelten in de pan. Ze hebben iets weg van halloumi (Grieks-Turkse kaas).Met de klok mee vanaf rechtsboven: zakje gelatinepoeder met tutti-fruti smaak, gecondenseerde melk Belle Holandese, brok chancaca, kaas van merk Pil, rond witte verse kaas, leche con avena, blok chocolade van Harasic en in het midden dulce de leche.Met de klok mee vanaf rechtsboven: erwtenchips, tuinbonenchips, alerlei soorten 'popcorn' (midden), chirimoya, twee tumbovruchten, pacay, chuño en gedroogde perziken.

Verduras y frutas (groenten en fruit)
Het meest bijzondere van de groenten is de grote variëteit in grootte en kleur van maïs en aardappelen. Heel apart is de chuño, een in de grond gevriesdroogde aardappel, die verwerkt wordt in soepen of als bijgerecht geserveerd wordt bij de hoofdmaaltijd. Het gaat om een eeuwenoude conserveringsmethode. Eerlijk gezegd is dit één van de producten die ik niet zal missen; ze zijn grauw van kleur en hebben een smaak van waterige aarde. Wat mij verder opvalt, is dat sommige groenten, zoals spinazie, een erg zilte smaak hebben die doet denken aan zeewier. Ik verklaar dat door de zoutrijke grond op de hoogvlakte. Heel lang geleden behoorde de hoogvlakte namelijk tot de oceaanbodem.
Wat het fruit betreft is het meest bijzondere een dikke groene peulvrucht, de pacay, waarvan alleen het witte vruchtdons wordt gegeten (friszure smaak). Erg lekker is verder de chirimoya. Het heeft een groen geruite schil met binnenin zacht romig wit vruchtvlees met grote zwarte pitten. Er worden ook vruchtensorbets van gemaakt.
Carne y pescado (vlees en vis)
Wat vlees betreft eet men zowat alles van het beest. De poten van kip of varken, hart, orgaanvlees, huid, kop, er blijft niets over behalve een stel botten. Het meest wordt kip gegeten, maar ook lama-, rund-, varkens- en schapenvlees staan op het menu. Sommige Bolivianen zweren bij vlees van lama’s die op de hoogvlakte rondlopen; door het hoge zoutgehalte van de grond en planten heeft het vlees een bijzondere smaak. Eén keer sloeg de schrik mij om het hart toen ik mij heb laten overhalen om onderweg van Colquechaca naar La Paz bij een restaurant te stoppen waar ze alleen schapenvlees op het menu hadden staan; daar moest ik – hoewel vegetariër - absoluut een keer gegeten hebben. Op zoek naar een tafeltje in het volle restaurant zag ik mensen vooral schapenkop eten (met aan het bot nog kiezen). Gelukkig kon ik behalve schapenkop ook uit andere delen van het beest kiezen die mij toch iets vertrouwder overkwamen (zie foto met gekookte aardappelen en chuño). Een andere keer had de directie van de mijncoöperatie in Colquechaca mij en de andere aanwezige DIMA-mensen uitgenodigd met hun mee te gaan eten, iets wat wij niet konden weigeren. In Colquechaca serveren ze eigenlijk alleen kip, dus daar kon weinig mis mee zijn. Ik was maar wat blij dat op mijn bord een stukje kippenpoot lag zoals wij dat kennen; op andere borden zag ik allerlei delen van de kip die ik absoluut zou hebben laten liggen of hebben doorgeschoven aan mijn buurman. Alsof de kip na de pluk gewoon in tien stukken was gehakt, gefrituurd en vervolgens verdeeld over de borden.En dan is er natuurlijk nog vis. Bij DIMA weten ze dat ik eigenlijk vegetariër ben, maar dat ik ook wel vis eet als er geen andere alternatieven zijn. Voor hen een uitweg in het bedenken van eten als we bijvoorbeeld onderweg zijn. Dus heb ik in Oruro perejey gegeten, en moest ik laatst absoluut de trucha (forel) eten bij een viskwekerij in de buurt van de La Cumbre. Verder kon ik het natuurlijk niet maken om naar Villa Montes te gaan zonder de sabalo te proeven. Eerlijk gezegd allemaal smaakvolle vissen.

Bebidas (dranken)
Op de hoogvlakte is overal maté de coca te krijgen, een thee van cocabladeren, die zou helpen tegen hoogteziekte en vermoeidheid. In de cocabladeren komen cocaïneachtige stoffen voor die vermoeidheid en hongergevoel zouden doen verdwijnen. Om deze effecten te krijgen moet je echter veel cocabladeren kauwen, samen met een goedje dat de cocaïne vrijmaakt uit die bladeren. Die paar bladeren in de thee hebben dus niet veel effect. Op de hoogvlakte wordt traditioneel veel gekauwd, je ziet daar overal mensen met een plastic zak cocabladeren en een bolle wang rondlopen.
Bijzonder is ook api. Api is een warme drank gemaakt van gemalen maïs, kaneel, kruidnagelen en suiker. Er zijn verder overal vruchtensappen en –drankjes te koop. Zo is er bijvoorbeeld verse tumbosap verkrijgbaar, die iets weg heeft van perensap maar dan wel met een iets wrange nasmaak. Vaak worden ook weeksappen verkocht van gedroogde vruchten, zoals mocochinchi, met de geweekte vruchten er nog in. Mocochinchi is een sap gemaakt van gedroogde perziken en dat is gekruid met kaneel en gezoet met suiker. Erg lekker.
Zoveel volkeren zoveel eetgewoonten
Het desayuno (ontbijt) kan van alles zijn, van brood belegd met een gebakken eitje, jam, vlees, dulce de leche of gecondenseerde melk met koffie of thee, tot een glas warme api met warme beignets. Dat laatste heb ik een paar keer gegeten als ontbijt in Oruro, op straat in de bittere ochtendkou, omdat het hotel geen ontbijt serveerde (zie foto). In het DIMA-huis in Colquechaca wordt bij het ontbijt ook wel een warme drank van chocolade-oplospoeder verrijkt met vitaminen gedronken; een goedje waar vooral het zoet overheerst en waaraan nauwelijks chocoladesmaak aan valt te ontdekken.De almuerzo (lunch) is de hoofdmaaltijd van de dag en daar neemt de Boliviaan ruim de tijd voor, gemiddeld zo’n twee uur. Meestal bestaat de lunch uit soep met bijvoorbeeld quinoa (een eiwitrijke graansoort die alleen op de hoogvlakte wordt gecultiveerd), gevolgd door een warm hoofdmaal. Soms is er ook een salade vooraf en soms is er ook een toetje na van gelatine of vers fruit. In eettentjes op straat in La Paz of in eetgelegenheden in bijvoorbeeld Colquechaca bestaat het hoofdmaal vaak uit rijst of pasta met gekookte of gefrituurde aardappelen of chuño, schijfjes tomaat of ui en natuurlijk vlees(zie foto). Daarbij wordt vrijwel altijd een pittige waterige salsa van pepers geserveerd. Verder treft men bij de markthallen vaak gaarkeukens aan, waar in grote pannen verschillende gerechten worden klaargemaakt, die je ter plekke kunt eten (zie foto). Ik heb daar nooit gebruik van gemaakt, want het zijn altijd vleesgerechten, maar het ruikt er vaak wel erg lekker.Rond een uur of zeven tot acht in de avond is het tenslotte tijd voor de cena (avondeten). Dat kan iets vergelijkbaars zijn als de almuerzo, maar ook gewoon brood, een pizza of een andere snack (patat met vlees).

vrijdag 11 september 2009

Wereldomroep en EO

Het bijzondere van mijn laatste bezoek aan Colquechaca was dat ik er samen met Garrie van Pinxteren ben geweest, een beroepsjournaliste, die interesse had in mijn activiteiten in relatie met armoede en het met eigen ogen wilde zien. Samen met haar –onder begeleiding van de wethouder milieu die het geweldig vond dat een echte journaliste zijn dorp bezocht - heb ik de mijnen bezocht en heeft zij onder andere met enkele mijnwerkers en met mij gesproken over hun werkomstandigheden. Als alles goed gaat, zendt binnenkort de Wereldomroep daarvan een radiorapportage uit en wordt een kort verslag op hun internet gezet. Ook de EO gaat als het goed is een korte rapportage ervan uitzenden via radio 1. Voor mij een bijzondere ervaring om geïnterviewd te worden en continu iemand om je heen te hebben met zo’n videocamera en microfoon. Ik ben dus erg benieuwd naar het eindresultaat. Zodra ik weet wanneer het uitgezonden wordt, daar natuurlijk bericht over.

Afscheid van Colquechaca

Ik zou in Colquechaca nog een presentatie geven over milieuvervuiling aan middelbare scholieren. Dat heb ik geweten: zo’n zeshonderd scholieren tussen de tien en achttien jaar hebben in twee sessies mijn verhaal aangehoord in een tot theater omgebouwde schuur. Onder luid gekwebbel van de jongere kinderen heb ik mijn verhaal gedaan, een korte presentatie met twee documentaires over lokale milieuvervuiling en een docufilm “the miners’devil” (drie jaar geleden op Rotterdams filmfestival gepresenteerd). De film gaat over het dagelijks leven van twee broertjes (10 en 14 jaar) die in de mijnen van Potosí werken en geeft een heel realistisch beeld over de dagelijks gevaren van het werken in de mijnen en de toekomst van deze kinderen. Ik weet niet of het allemaal is overgekomen wat ik te vertellen had, maar leuk vonden ze het in ieder geval wel.En ja, op de valreep lukte het ook nog enkele leden van de mijndirectie te spreken, zodat ik persoonlijk mijn aanbevelingen kon overhandigen. De president van de coöperatie vertelde het een waardevol stuk te vinden, maar gaf tevens te kennen geen geld te hebben om die aanbevelingen te kunnen uitvoeren. Dat zei hij zonder ook maar enig idee van of interesse te tonen in de inhoud van die aanbevelingen, waarbij ik twee keer vergeefs heb geprobeerd een toelichting te geven. Grote kans dus, dat als niemand een vinger op de pols houdt, dat document in een diepe la van de coöperatie verdwijnt. Dat de coöperatie geldgebrek zou hebben wordt overigens door buitenstaanders ernstig betwist. Het lijkt erop dat macht en geld verdienen bij deze directie belangrijker zijn dan daadwerkelijk investeren in de coöperatie. Erg jammer, want de gewone mijnwerker wil wel degelijk weten welke gezondheidsrisico’s hij loopt en wat hij eraan kan doen. Sprekend daarvoor was dan ook een mijnwerker die afgelopen woensdag spontaan op mij af kwam om te vragen hoe het met mijn werk stond en hij graag meer informatie wilde omdat hij zich zorgen maakte over zijn gezondheid.Dit was tevens de laatste keer dat ik in Colquechaca was. Het prachtige hoog- en berglandschap en de kleurig geklede boerenbevolking zal ik erg gaan missen.

zondag 6 september 2009

La Cumbre

Vandaag heb ik met een collega en zijn vrouw de La Cumbre bezocht. Om in de tropen te komen moet je vanuit La Paz een bergketen - Cordillera Real - doorkruisen. De hoogste bergpas die je daarvoor moet passeren ligt op 4.800 meter hoogte en wordt La Cumbre genoemd. La Cumbre is een ruw berggebied met bergmeren, besneeuwde bergtoppen en een landschap dat doorkruist wordt door oude wandelpaden van de lokale bevolking, waar tot op de dag van vandaag goederen met lama’s worden vervoerd. De harde en koude wind en gebrek aan zuurstof maakte een lange wandeling niet mogelijk, maar het landschap was beslist een bezoek waard. En dat op zo’n half uur rijden van La Paz!

maandag 31 augustus 2009

... en toch weer on-line!

Tja en dan heb je je zo goed als mogelijk voorbereid voor Colquechaca, krijg je de middag voor vertrek te horen dat de reis niet doorgaat. Deze keer is het DIMA zelf. De directeur heeft vanochtend 'verordonneert' dat deze week niemand buitenactiveiten mag verrichten en alles opzij moet worden geschoven voor POA. POA is een jaarlijks terugkerend item van plannen indienen - en daarover vergaderen - voor het komend jaar; niet alleen inhoudelijk maar ook tegelijkertijd een kostenberaming erbij. Voor elke organisatie een belangrijk stukje papier natuurlijk. Veel stress dus bij mijn collega's op kantoor (al een paar weken overigens). Deze verordenning komt bij mij niet echt als planmatig over. Hoe dan ook, ik heb zojuist zoete petit fours gekocht die ik straks ga uitdelen aan mijn collega's. Hopelijk worden ze daar wat vrolijker van. Enne volgende week ga ik wel naar Colquechaca: met of zonder DIMA.

zaterdag 29 augustus 2009

Een weekje off-line

Met het einde van de maand eindigt ook de offerperiode aan Pachamama. Tot mijn verrassing lieten daarvoor afgelopen vrijdag mijn collega’s een heuse indigena-priester op kantoor komen, die nota bene op mijn bureau een waxt’a klaarmaakte onder zacht geprevel in Quechua. Ik weet nu wat dat witte harige weeïg geurende spul in mijn waxt’a thuis is: lamavet! Dat spul gaat niet mee naar Nederland. De priester had ook een lamafoetus bij, die hij heel zorgvuldig insmeerde met dat vet en vervolgens met (nep)goudblad en kleurige lamawol. Vervolgens werden in de waxt’a brandende sigaretten gestopt en de boel besprenkelt met pure alcohol (nog steeds op mijn bureau, de kamer begon al aardig te stinken naar lamavet en brandende sigaretten). Gelukkig werd voor de echte verbranding de waxt’a naar het dak van het kantoor gedragen en daar op een stapeltje hout gelegd. Nou ja of het dak nu zo veilig was om een vuurtje te stoken; niemand scheen zich er druk om te maken! Nadat de priester al prevelend onze handen royaal had besprenkeld met pure alcohol goot hij de rest (anderhalve fles in totaal) in golfjes op de waxt’a, die natuurlijk hevig begon te branden. Onder het genot van thee en cola, beide verdund met rum, hebben mij collega’s vervolgens de waxt’a zien vergaan tot as. Een bijzondere ervaring, vooral ook omdat dit gebeurde in de avondschemering op de negende verdieping van één van de vele (moderne) kantoor- en flatgebouwen in het centrum van La Paz. Met de verbranding gaan voor mij tevens de laatste drie weken in Bolivia in, een raar gevoel …Komende week ga ik voor de laatste keer naar Colquechaca, onder andere om een soort college te geven aan middelbare scholieren over milieuvervuiling in relatie met de mijnactiviteiten. Natuurlijk ga ik ook mijn best doen de directie van de mijncoöperatie te spreken. Komende week dus geen berichtjes van mij.